Roelant Oltmans was gymnastiekdocent voor zijn zegetochten als hockeycoach: ‘Ik denk dat het onderwijs me geholpen heeft succesvol te worden.’

Roelant Oltmans (Nieuwer-Amstel, 25 mei 1954) is Nederlands meest succesvolle hockeycoach. Hij coachte onder meer de Nederlandse mannen- en vrouwenploeg en won daarmee het WK in 1990 (vrouwen), goud op de Olympische Spelen van 1996 (heren) en het WK van 1998 met wederom het mannenelftal. Oltmans maakte later nog een uitstap naar het voetbal voor het directeurschap bij NAC Breda. Tegenwoordig is hij assistent-coach van Heren 1 van LOHC in Oegstgeest, de club waar hij ook de functie van technisch directeur bekleedt. Voor zijn successen als hockeycoach was Oltmans gymnastiekdocent. 

Terug naar het einde van de jaren 70. Oltmans moest eigenlijk zijn dienstplicht vervullen, maar vlak voordat hij in dienst zou gaan, werd hij gebeld. Of hij niet liever les wilde geven in het buitengewoon onderwijs voor het pedologisch instituut (PI) in Leiden. Die kans greep Oltmans aan – zin in militaire dienst had hij immers niet – en hij ging op drie verschillende basisscholen als gymnastiekdocent voor zeer moeilijk opvoedbare kinderen aan de slag. Later kwam hij op het Stedelijk Gymnasium in Leiden te werken, dat onder hetzelfde bestuur viel.

Op het Stedelijk Gymnasium aan de Fruinlaan, in de Leidse Burgemeesterswijk, werkte hij tussen 1983 en 1993. In zijn laatste drie jaar gaf hij er geen les meer, omdat hij als hockeybondscoach buitengewoon verlof kreeg. In 1993 besloot hij zich volledig te richten op een carrière als hockeytrainer. Een terugkeer in het onderwijs heeft hij in de jaren hierna nooit meer heel serieus overwogen. „Al had ik dat overigens geen straf gevonden. Ik heb altijd met heel veel plezier lesgegeven.”

Op de vraag wat hij dan het mooiste aan werken in het onderwijs vond, hoeft hij niet lang na te denken. „Ik was ook mentor. Het helpen van leerlingen om hun eigen talenten te ontdekken en te ontwikkelen, dat is eigenlijk het leukste wat er is.” Het vak gymnastiek bood daarvoor volgens hem een ideale ingang, omdat het vak veel ruimte geeft voor persoonlijk contact. Hetzelfde gold eveneens voor de Romereizen die hij met de gymnasiasten maakte en waar hij op een andere, veel intensieve manier met leerlingen optrok.

Oog voor het individu
Die nadruk op het persoonlijk contact hangt sterk samen met wat hij vanuit het onderwijs meenam naar de hockeywereld. Oltmans leerde bij het pedologisch instituut hoe belangrijk het is om individueel gericht te werken om iemand echt verder te helpen. Op die manier werkte hij later ook in de top van het hockey. En hoewel hockey een teamsport is, draait het volgens Oltmans niet alleen om het verbeteren van het team als geheel, maar ook om aandacht voor het individu. „Als je erin slaagt om het individu te raken, dan raak je het hele team. Ik heb altijd veel oog voor het individu en probeer altijd te achterhalen hoe iemand in zijn vel zit en waardoor dat komt.”

Ook positief stimuleren – in plaats van straffen – speelde zowel als docent als hockeytrainer een belangrijke rol in zijn aanpak. Bovendien zette de pedagogisch onderlegde hockeycoach nimmer een speler in het bijzijn van de hele groep voor schut. „Maar dat wil dan niet zeggen dat ik die speler niet individueel aansprak.”   

De onderwijsjaren droegen uiteindelijk bij aan het succes van de hockeycoach: „Ik denk wel dat het mij geholpen heeft om succesvol te worden, ja.”

Freak
Het docentschap in Leiden en het trainersvak in het hockey vertonen bovendien duidelijke overeenkomsten: een les lijkt bijvoorbeeld sterk op een training. Oltmans hanteerde als hockeytrainer een vaste lijn: de beginsituatie bepalen, doelen stellen en de stappen vastleggen die nodig zijn om die doelen te bereiken. Die werkwijze is deels gebaseerd op het directe instructiemodel (DI), dat in het onderwijs wordt gebruikt om leerlingen de leerstof succesvol aan te leren. Maar een perfecte of geslaagde les of training een jaar later op precies dezelfde manier herhalen? Niet voor Oltmans. „Ik denk dat het altijd beter kan, maar misschien ben ik wel een enorme freak. Het houdt mij ook scherp om dezelfde training een jaar later nét een beetje anders en beter te doen.”
 
Op het juiste moment zwijgen
Daarnaast spelen voor zowel een docent als een hockeycoach andere, specifieke kwaliteiten een belangrijke rol. Zo stelt Oltmans dat succes voor beide beroepsgroepen dikwijls valt of staat met charisma en uitstraling. Bij docenten en trainers met minder uitstraling is de impact vaak iets geringer. Bovendien benadrukt de kampioenenmaker het belang van organisatie en voorbereiding. Hij wijst ook op wat hij  ‘voelsprieten’ noemt: het vermogen om altijd feilloos aan te voelen wat er, ook buiten het zichtveld, in een les gebeurt. „Een soort zesde zintuig ergens. Ik weet niet of je dat nu eenmaal hebt of dat je dat kunt aanleren, maar ik ‘zie’ het snel.”

Op het hockeyveld geldt dat net zo, zeker toen hij vaak alleen voor de groep stond. „Het is daarbij belangrijk om op het juiste moment een opmerking te maken, maar ook om op het juiste moment te kunnen zwijgen.” Soms is ingrijpen nodig, soms niet. „Soms hoor je wat en denk je: dat laat ik toch maar even rusten.”
 
Twee dagen na wereldtitel weer voor de klas

Een van de mijlpalen van Oltmans’ carrière was het wereldkampioenschap hockey voor vrouwen in mei 1990 in Sydney, waar de Nederlandse hockeyploeg onder zijn leiding de wereldtitel won. Maar lang nagenieten zat er niet bij. Twee dagen later stond Oltmans namelijk alweer voor de klas op het Stedelijk. „Dat was een gigantisch verschil, maar dat heeft ook wel weer zijn charme. We moeten onszelf niet groter maken dan dat we zijn.”

Maar die snelle terugkeer was onderdeel van een pact dat hij met de school sloot. En afspraak is afspraak voor Oltmans. Zo sprak hij met de school af dat hij alle tijd kreeg om tussentijds naar toernooien en grote kampioenschappen te gaan en dat hij zich daarop goed kon voorbereiden. Na terugkomst zou hij dan wel weer zo snel mogelijk aan het werk gaan op school. „Daar heeft het Stedelijk altijd prettig aan meegewerkt en daar ben ik ze dankbaar voor.”  

Uiteraard was die titel voor de school zelf ook een speciaal moment. „Alle leerlingen vonden het geweldig, het was een heel bijzondere periode. Er was taart en er werd uitgebreid aandacht aan besteed.”

Nog altijd zeven dagen per week ‘op de hockey’
Momenteel is Oltmans assistent-coach van het eerste mannenelftal van LOHC en is hij verantwoordelijk voor de dagelijkse technische leiding binnen de club. Zodoende is hij maar liefst zeven dagen per week te vinden op sportpark De Krogt aan de Hofbrouckerlaan in Oegstgeest. Hij verzorgt aan Heren 1 trainingen, voert individuele gesprekken met spelers en spreekt veel met hoofdcoach Marc de Moor. „Zolang de hoofdcoach het gevoel heeft dat ik nog van meerwaarde voor zijn team en voor hemzelf ben, blijf ik het met veel plezier doen. Maar als de spelers zeggen dat het mooi geweest is zo en dat ze het gelul van opa zat zijn, moeten ze dat gewoon zeggen. Dan was dit het laatste jaar.”

Die kans lijkt echter niet aanzienlijk: LOHC Heren 1 eindigde, als een van de actiefste aanvalsploegen van de competitie, als vierde in de Promotieklasse en komt van de onderste regionen van de Overgangsklasse. „Dat is een mooie progressie.”