Alexandra Dijkstra gooide het roer om en staat nu voor de klas als docent Nederlands


Alexandra Vera Dijkstra (Utrecht, 7 november 1991) had een goede baan als floormanager bij de Zara in Amsterdam. Toch gooide ze het roer drastisch om en staat ze nu voor de klas. Dat doet ze op het Houtens in Houten als mevrouw Dijkstra, die Nederlands doceert op een vmbo-school. Dijkstra bracht recent de verhalenbundel De verbazing voorbij uit, met dertig korte observaties van een beginnende vmbo-docent. Het boek toont niet alleen de mooie en grappige momenten, maar legt ook de werkdruk en emotionele belasting in het voortgezet onderwijs bloot. „Ik vind het vmbo echt een hele leuke doelgroep. Ik geef ze Nederlands, maar het gaat om iets veel groters.”

Elk jaar kiezen duizenden Nederlanders voor een carrièreswitch naar het onderwijs. Nu het lerarentekort verder oploopt, zijn zij-instromers bijzonder in trek. Soms zozeer dat scholen hen vrijwel direct aannemen. Alexandra Dijkstra is er een van. Ze staat inmiddels drie jaar voor de klas. Daarvoor werkte de Utrechtse als manager in de grootste Zara van Amsterdam. Destijds vond ze voldoening in het werken met verschillende mensen, hen aansturen en iets leren. Bovendien waardeerde ze de afwisseling: geen dag in de retail is hetzelfde. Toch wilde ze iets anders. „Ik was daar diepongelukkig”, openbaart de 34-jarige Domstedeling. Daarom schakelde ze de hulp in van iemand die uitvond waar Dijkstra mogelijk wel gelukkig wordt. Die persoon stelde haar een baan in het onderwijs voor.   

Na dat gesprek fietste Dijkstra weer naar huis. Onderweg ontving ze een berichtje op LinkedIn van een onderwijsdetacheerder. Dat kon geen toeval zijn, dacht ze. Misschien moest ze de stap naar het onderwijs dan ook maar gewoon zetten. „En dan word je dus zij-instromer”, steekt Dijkstra van wal. „Ik zag erg op tegen het weer gaan studeren, want die tijd had ik wel achter me gelaten. Dat opnieuw studeren vond ik heel intens, maar zonder diploma gaat het niet lukken.” De knop ging daarom al vrij snel om. „Ik moest een bevoegdheid halen, dan kan ik altijd vooruit.”

Onverwachte match met het vmbo
Zelf slaagde Dijkstra in de zomer van 2010 voor het vwo („Ik weet nog dat ik Nederlands heel saai vond en veel boeken moest lezen”) en studeerde ze later af aan de School voor Journalistiek. Nu geeft ze les aan het vmbo. „Waarom ik lesgeef op het vmbo? Ik dacht eerst: dat is te ingewikkeld voor me, die doelgroep is voor mij niet weggelegd”, aldus Dijkstra, die echter een goede match bleek met deze leerlingenpopulatie. Dat werd overigens duidelijk tijdens een onverwacht pittige proefles.

Om aangenomen te worden voor de docentenopleiding, moest Dijkstra namelijk eerst ‘auditie’ doen. „Ik moest voor een 3-havoklas een les gaan geven en ik had nog nooit voor een klas gestaan.” Wat ze op dat moment niet wist, was dat deze groep geïnstrueerd was om zich te misdragen. „Die leerlingen gedroegen zich allemaal verschrikkelijk: ze zaten te bellen, te appen, aten chips, praatten door mij heen en maakten ruzie met elkaar. Het was zo’n chaos, waardoor ik niet aan die les toekwam. Eerst moest ik dus orde scheppen voordat ik iets kon doen.”

Dat laatste lukte goed. Na afloop van die bewuste les werd Dijkstra daarom door een lesobservator geprezen om haar duidelijkheid en omdat ze weinig ruimte liet aan het wangedrag van de leerlingen. Daarom paste ze volgens hem goed bij het lesgeven op het vmbo. „Ik denk dat hij gelijk heeft. Ik vind het vmbo echt een hele leuke doelgroep. Ik geef ze Nederlands, maar het gaat om iets veel groters”, vertelt ze, doelend op onder meer de pedagogiek. Voor Dijkstra is het immers belangrijker om leerlingen iets mee te geven over het leven of over hoe ze met anderen moeten omgaan, dan dat ze precies weten wanneer ze -dt moeten schrijven.

Lesgeven is echt een vak
Lesgeven gaat haar nu in de meeste klassen makkelijk af, in de andere klassen vindt ze het soms „nog echt heel moeilijk” en moet ze haar lessen tot in de puntjes voorbereiden. Door verschillende werkvormen in haar lessen te gebruiken, in te zetten op de relatie met de leerlingen en het zweet bij hen op de rug te krijgen in plaats van bij zichzelf, weet zij haar lessen vaak tot een goed einde te brengen. „Daarom is lesgeven echt een vak. Het is belangrijk een plan te hebben. Je moet leren hoe je voor een groep moet staan en hoe je leerlingen moet aansturen. In boeken kan wel staan hoe het moet, maar je moet het oefenen en doen. Al helpt het wel om er aanleg voor te hebben. Want als je ook maar een beetje onzeker bent, dan voelen ze dat en is het heel moeilijk om weer grip op de groep te krijgen.”

Humor in het vmbo
Daarbij is humor in het vmbo onmisbaar voor een docent. „Ik denk dat het heel lastig is om zonder humor te overleven in het vmbo. Ruimte maken voor grapjes helpt heel erg.” Niet verwonderlijk dat haar bundeltje De verbazing voorbij ook tal van humoristische situaties in het vmbo bevat. Zo schrijft Dijkstra over een leerling die een toets bewust maar tot en met vraag 17 maakte in plaats van 34, omdat hij het wel genoeg vond zo. Een andere leerling wilde niet meer met Dijkstra praten omdat ze in de les haar jas niet mocht dragen, maar vroeg haar docent na afloop wél advies over welke kleur schoenen ze moest kopen: wit of grijs. En dan is er nog de leerlinge die vertelde dat haar date verscheen met een ander meisje, dat ook zijn date bleek te zijn.

Veel mensen vinden de verhalen grappig en herkenbaar. „Ik heb boekjes bij laten maken omdat ik er zo veel had verkocht.”

De werkdruk viert hoogtij
Maar Nederlands is een schoolvak met een hoge werkdruk, erkent ook de Utrechtse. De huidige docent Nederlands is over het algemeen overbelast. Zelfs het nakijkwerk van het eindexamen (mavo, havo en vwo) – waarbij docenten Nederlands eindelijk eens geen betogen, beschouwingen of uiteenzettingen hoeven te corrigeren – wordt door Cito zelf als „zeer correctie-intensief” bestempeld. Veel docenten maken gedurende het grootste deel van het jaar extra uren. Dijkstra, naast docent ook nog sectievoorzitter, mentor en werkplekbegeleider: „Het is echt een drukke baan.”

Daarbij maakt een ander fenomeen de werkdruk nog ingewikkelder, stelt ze. „We hebben te maken met gedrag dat we niet eerder hebben gezien. Het kost veel energie om dat te begrenzen.” Tegelijkertijd is de docente pragmatisch omtrent al haar nakijkwerk: „Hoe vaker je tegen anderen zegt dat je het druk hebt, hoe drukker je het voor jezelf maakt. Ik ben meer van de handen uit de mouwen steken en werken. Dan krijg je ook dingen af.”

Loskoppelen van leerlingen in vakanties

Tegenover die hoge werkdruk staan voor de docente liefst 55 vakantiedagen per schooljaar. Van iedereen die zij nu spreekt over haar onderwijsswitch hoort ze het: ‘Je hebt nu zó veel vakantie.’ Maar Dijkstra vindt alle vakanties geheel terecht. „Dat is ter compensatie voor werken in de weekenden en avonduren, maar je moet ook kunnen loskoppelen van de leerlingen. In de kerstvakantie droom ik de eerste anderhalve week nog over de kinderen en over werk. In de zomervakantie lukt het me wél om echt los te kunnen koppelen van werk. Je bent als docent continu bezig en moet continu ‘aan’ staan.” Tegelijkertijd geven juist diezelfde leerlingen haar veel voldoening in het werk.

Dankzij die voldoening hoopt Dijkstra de komende jaren nog voor de klas te staan. Is ze er op één moment toch klaar mee, dan stopt ze direct, zegt ze. Voor de 34-jarige zij-instromer gaat haar boek bovendien verder dan observaties alleen: „Ik heb wel weer wat nieuwe scenario’s in mijn hoofd, maar ik weet niet of er een deel twee komt. Ik hoop mensen samen te brengen door over onderwijs te blijven schrijven. Dat was de hele bedoeling van het boekje.”