Burgemeester Emile Jaensch voelt zich als een vis in het water in Oegstgeest: ‘Ik mag inmiddels wel eens een foutje maken.’
Op de dag van de eindexamenuitslag gaat burgemeester Emile Jaensch (Rotterdam, 24 augustus 1968) van Oegstgeest langs bij geslaagde leerlingen om hen persoonlijk te feliciteren. Tijdens die ronde belt hij in de Indische buurt aan bij huizen waar de vlag uithangt. Het past bij zijn reputatie als een betrokken, benaderbare en zichtbare burgemeester. In het enige dorp van Nederland met rode straatnaamborden en gouden letters zegt hij bovendien dat hij burgemeester is van een gemeente waarvan de inwoners niet wereldvreemd zijn. „De meeste Oegstgeestenaren snappen dat wij als gemeente een taak hebben in de spreidingswet.”
„Poeh, het is snel gegaan. Ik pas nog steeds in hetzelfde pak, merkte ik gisteren. Dus ik ben geen kilo’s aangekomen”, vertelt Jaensch over zijn ambtsjaren in Oegstgeest, waar hij op 15 februari 2016 aan begon. De 57-jarige burgemeester trekt regelmatig de hardloopschoenen aan om fit te blijven. „In die zin is het fijn dat ik het burgemeesterschap ook met een zekere fitheid kan doen, want dat helpt wel in het vak. Mijn tijden zijn onregelmatig, maar eigenlijk vind ik dat ook wel aantrekkelijk aan het burgemeesterschap én dat geen dag hetzelfde is.”
Toch was hij bij zijn komst in 2016 nog niet goed bekend met Oegstgeest. Inmiddels voelt hij zich in het dorp, dat onlosmakelijk is verbonden met Jan Wolkers, als een vis in het water. In tien jaar tijd bouwde hij kennelijk voldoende krediet op en groeide de verstandhouding met de raad. „Ik mag inmiddels ook wel eens een foutje maken”, erkent hij.
De Oegstgeestenaar is allesbehalve wereldvreemd
In tien jaar tijd leerde hij zijn inwoners goed kennen. De Oegstgeestenaar is niet wereldvreemd, merkt Jaensch, die zelf op Schouwen-Duiveland in Zeeland opgroeide. „De meeste Oegstgeestenaren snappen dat wij als gemeente een taak hebben in de spreidingswet”, vertelt de burgervader, die stelt dat er in nabijgelegen gemeenten als Hillegom, Lisse en Noordwijk onder inwoners meer spanningen leven omtrent dit onderwerp. Die wereldwijsheid van zijn inwoners ziet hij ook terug bij de jeugd in Oegstgeest. „Ik denk dat de meeste jongeren in Oegstgeest zich niet afsluiten voor wat er in de wereld gebeurt. Dus je kunt zeggen dat men hier in een eigen bubbel leeft, maar die bubbel is echt veel groter dan wat alleen het dorp biedt.”
Daarnaast vindt hij de gemiddelde Oegstgeestenaar betrokken; een heus dorpsmens. Dat uit zich bijvoorbeeld in de hoge opkomst, ook onder jongeren, bij de laatste gemeenteraadsverkiezingen op 18 maart. Oegstgeest beschikt bovendien over een dorpscentrum, gelegen aan de Lijtweg, waar inwoners van allerlei pluimage elkaar ontmoeten en waar verschillende activiteiten worden ondernomen. „Dat spreekt mij aan. Dat wordt gerund door inwoners en vrijwilligers. Het feit dat je veel vrijwilligers hebt, past bij een dorps karakter. Een stad heeft gewoon meer moeite om mensen aan zich te binden omdat het anoniemer is. Hier ben je niet snel anoniem.” Dat laatste ervaart Jaensch vanzelfsprekend zelf ook.
„Ik doe de meeste boodschappen in Oegstgeest. Dat gaat heel makkelijk, ondanks dat je natuurlijk altijd herkend wordt. Maar dat herkennen gaat niet gepaard met vervelende gesprekken. Mensen realiseren zich ook wel dat je daar in een supermarkt niet een heel uitgebreid moment voor hebt. Of mensen vragen of ze iets kunnen sturen, zodat we later een afspraak kunnen maken. Ik stond afgelopen weekend ook langs de lijn bij een voetbalveld. Niet eens in Oegstgeest, maar wel om een Oegstgeestse vereniging te zien. Ja, dan krijg ik ook weleens een vraag.”
Bereikbaar op sociale media
Die benaderbaarheid van Jaensch beperkt zich niet tot de openbare ruimte. Ook op sociale media reageert hij op vragen van zijn inwoners. „Ergens zit bij mij ook een grens, maar dit is goed te doen wat ik aan berichtjes krijg. Dat vind ik ook wel leuk. De meeste berichten zijn bovendien heel normaal. Vaak zijn het gewoon vragen over hoe iets zit. Of er zit een schrijffoutje in mijn stuk. Nou, dat kan ook best zo zijn.” Hoe anders is de toon in de berichten aan burgemeesters van andere gemeenten. Zo ontvingen de burgervaders van onder meer Ter Apel, Lisse, Sliedrecht en Venlo de laatste weken en maanden ferme bedreigingen via sociale media, vaak vanwege de komst van asielzoekerscentra door de spreidingswet. „Ik maak me daarom wel zorgen over mijn collega's, ja.”
Behoud van Olympisch Stadion als leerproces
In een eerder leven sprak hij ook zijn zorgen uit over het Olympisch Stadion in Amsterdam en streed hij voor het behoud ervan. „Dat was een vrij impulsieve actie”, staat Jaensch nog helder voor de geest. De wijk waar het Olympisch – het stadion waar Ajax wedstrijden tegen Feyenoord speelde en ook zijn Europese affiches afwerkte – stond, trok de grote publieksstromen, verkeersdrukte en veiligheidsproblematiek in de beginjaren 90 niet meer. Ajax zou bovendien uitwijken naar een groot stadion in de Bijlmermeer en dus kwam de vraag op wat er met het Olympisch Stadion moest gebeuren. „Het terrein was beoogd voor woningbouw. Dat was ook logisch. Wat heb je nog aan een stadion dat niet gebruikt wordt? Toen zei een kleine club mensen dat het stadion monumentaal is.”
Maar die club mensen had niet de tijd om daar een hele werving voor op te zetten. „En ik was daarvoor een vrij actieve student. Ik wist de weg in Amsterdam. Ik was creatief. Misschien een tikje commercieel. En toen hebben ze mij gevraagd. Het stadion is uiteindelijk behouden gebleven in een hele andere vorm: als atletiekstadion met kantoren en voorzieningen.”
Daar leerde Jaensch, die vindt dat in Oegstgeest de kastelen Endegeest en Oud-Poelgeest op hun beurt nóóit mogen verdwijnen, hoe dat soort politieke processen werken. „Ik leerde hoe het werkt om draagvlak te creëren en hoe je kan lobbyen. En hoe van niets íets kan worden. Het idee had aanvankelijk weinig medestanders.”
Best wat invloed, maar weinig macht
Jaensch wist in de hoofdstad het een en ander voor elkaar te krijgen. Later werd hij zelfs stadsdeelwethouder van Amsterdam Oud-Zuid en vervolgens van Zuidoost. Als burgemeester van Oegstgeest geldt hij ogenschijnlijk als het hoofd van een gemeente, maar volgens hem is dat een hardnekkig misverstand. „Er is een misvatting dat de burgemeester de baas is. De burgemeester kan iets zien, alloceren en heeft een snellere toegang tot de wethouder dan heel veel anderen, maar mijn portefeuille is heel beperkt. De burgemeester heeft dus best wat invloed, maar weinig macht. Daar moet ik mensen nog wel eens in teleurstellen.”
Over twee jaar loopt de tweede ambtstermijn van Jaensch af. In 2028 viert hij bovendien zijn zestigste verjaardag. Blijft hij daarna nog een termijn aan, dan kan hij rond zijn 66ste met pensioen. Maar de vraag rijst of Jaensch opgaat voor een derde termijn. „Kom over een jaar nog een keer langs en dan weet ik het. Ik heb nu nog geen sluitend antwoord. Of ik onbeperkt herbenoembaar ben? Zo zie ik het niet. Je moet het wel goed doen als burgemeester. Je moet dat vertrouwen hebben en houden. En ook naar de toekomst toe moet je je afvragen of je zelf die hand wilt blijven opsteken voor een herbenoeming.”
Procesbewaker
Jaensch, die zichzelf ‘procesbewaker’ noemt en zichzelf in die zin niet uniek vindt, is bovendien geen planner. „Nee, zo zit ik niet in elkaar. Ik bekijk het echt van jaar tot jaar. En dat is ook hoe je naar vertrouwen moet kijken. Ben ik nog nodig? Voel ik meerwaarde? Er zitten een paar uitdagingen nu direct aan te komen. We krijgen een nieuw college, waarbij we ook met nieuwe wethouders te maken krijgen. De klus is nooit af.”