Frank Peereboom ging via het Fioretti College in Lisse de Champions League in
Frank Peereboom (Haarlem, 11 april 1979) is trainer van Jong AZ en was daarvoor ruim veertien jaar werkzaam bij Ajax, het laatst als assistent-trainer van het eerste elftal. Peerebooms didactische en pedagogische kennis en vaardigheden komen binnen het betaald voetbal goed van pas. Die ontwikkelde hij onder meer in zijn jaren als student en gymdocent in Den Haag en op het Fioretti College in Lisse. „Als gymdocent wist ik álles van mijn leerlingen.”
Peereboom woont zijn eerste jaren in Hillegom, maar opgroeien doet hij in Lisse. In het tulpendorp waren zijn ouders, Louis en Elly, eigenaar van patisserie Vermeer. De zaak is inmiddels in handen van broer Robin. Bij het plaatselijke FC Lisse speelde de banketbakkerszoon altijd in de hogere jeugdelftallen. Hij schopte het er zelfs tot het eerste zondagelftal. Een rugblessure noopte hem echter om vroeg te stoppen.
Door die rugklachten volgde hij de eerste jaren aan de HALO (Academie voor Lichamelijke Opvoeding aan de Haagse Hogeschool) een aangepast programma. „Daar heb ik vier geweldige jaren gehad. Ik zou ze morgen zo weer over doen”, vat hij zijn jaren op de sportacademie positief samen, waar hij in de nazomer van 1997 begon. In die tijd gold op de opleiding voor gymnastiekdocenten nog een numerus fixus. De lat voor de fysieke toelatingstesten lag destijds bovendien een stuk hoger.
Voor zijn HALO-tijdperk haalde hij zijn havo-diploma op het Fioretti College, de school waar hij later ook van september 2001 tot en met juli 2006 werkzaam zou zijn als gymdocent. „Ik ben als leerling op de mavo begonnen en ik was nogal druk. Ik speelde liever buiten dan dat ik een boek las.” Dat verklaart ook meteen waarom hij als docent met moeilijk opvoedbare kinderen wilde werken. „Omdat ik zelf ook niet altijd heel makkelijk was, maar juist druk en bijdehand. Ik wilde juist díe kinderen helpen in hun ontwikkeling.” Daarom deed Peereboom waardevolle ervaring op tijdens stages in de Haagse Schilderwijk en in ‘bepaalde’ wijken in Leiden, puur met het oog op zijn ontwikkeling als docent. „Ik heb mezelf uitgedaagd door in de grote steden stage te lopen.”
Die jaren als docent op Fioretti in Lisse bestempelt hij als een hele leuke tijd. Toch belandde hij toen als jonge en vlotte gymdocent, die nota bene in zijn eigen dorp lesgaf, buiten school in soms lastige situaties. „Ik zal nooit vergeten dat ik op een donderdagavond met vrienden in ’t Vierkant (een voormalig café in Lisse, red.) stond, waar ook meiden uit vwo-5 en vwo-6 met glazen wijn in hun handen stonden. Ik voelde me zwaar ongemakkelijk.” Desondanks kon hij school en privé goed gescheiden houden.
Gescheiden gymles voor jongens en meisjes
Toentertijd ook goed gescheiden: de jongens gymden nog apart van de meisjes. „Dat heb ik twee jaar zo meegemaakt”, memoreert Peereboom. „Maar we differentieerden daarin wel. Er waren altijd fanatieke meiden die het leuk vonden om met de jongens mee te gymmen.” Bij de jongens ging het er immers fanatieker en wilder aan toe. Voor meiden waren gymlessen normaliter juist een stuk socialer, waarin zij ook meer de verbinding met elkaar zochten. „Als gymleraar wist ik álles van mijn leerlingen. Omdat ik zelf jong was, vertelden zij mij ook altijd alles. Ik heb hele mooie verhalen gehoord, maar ook hele verdrietige. Daardoor kon ik ook naar een mentor of tijdens een teamvergadering over een leerling vertellen wat er écht aan de hand was. Het vak gym is niet alleen sporten en rennen, maar draait ook om het sociale en het ontwikkelen van mensen.”
Van het VO naar een BVO
Als docent was Peereboom hard op de taak, vaak harder dan zijn collega-gymdocenten. Daar kon hij later bij FC Volendam (tot 2010), Ajax en AZ goed garen bij spinnen. De onderwijsjaren maakten bovendien dat hij geen afstandelijke voetbaltrainer is geworden. Zo blijken de opgedane ervaringen binnen het gymleraarschap nu al jaren belangrijk voor zijn interesse in ‘de mens achter’ de voetballer. Ook van het aanbrengen van structuur in gymlessen heeft hij nu nog altijd profijt. Want een gymles op Fioretti duurde netto 35 minuten (na omkleden, warming-up en uitleg), waardoor organisatie, duidelijkheid en een goede voorbereiding voor hem als docent vereisten waren. „Tijdens een voetbaltraining heb je langer de tijd dan tijdens een gymles, maar ook dan houd ik van structuur. Dan is je netto-tijd altijd meer dan van iemand die niet goed voorbereid is.”
Te grote groepen
Meer tijd tot zijn beschikking of niet: de instructies van een voetbaltrainer moeten veel korter zijn dan die van een gymdocent. Daartegenover staat dat Peereboom op het voetbalveld met twee of drie assistenten vergezeld wordt. Een verschil met het onderwijs, waar een docent het (nagenoeg) altijd alleen moet doen. „Daar moet je in je uppie soms dertig leerlingen bezighouden en komt het belang van goed organiseren om de hoek kijken. Ik denk echter wel dat een gymleraar dusdanig kan organiseren dat hij het alleen kan. Ik vind alleen groepen boven of rond de dertig veel te groot, dat vind ik niet goed. Ik vind 24 of 25 leerlingen per klas de max.”
Differentiatie binnen het voetbal
Differentiëren is als term gemeengoed in het onderwijs. Maar wie denkt dat differentiatie alleen aan het onderwijs is voorbehouden, heeft het mis. Bij Ajax leerde Peereboom niet alleen om spelers in hun kracht te zetten, maar ook om ze bewust op een andere plek te posteren om te ervaren wat er nodig is op andere veldposities. „Je kunt daarmee niet alleen het individu verrijken, maar uiteindelijk ook het team sterker krijgen. Dat is het principe van de ketting: de zwakste schakel zo sterk mogelijk maken.” Dit idee was afkomstig van Johan Cruijff, die vond dat het doel van trainingen is om het individu centraal te stellen en beter te maken.
Voor Peereboom loopt de vergelijking tussen onderwijs en voetbal nog verder door. Ook de cultuur en stabiliteit aan de top bepalen volgens hem het succes van een organisatie. „Ik denk dat het belangrijkste is dat zowel een club als een school een duidelijke visie en filosofie heeft. Net als rust in de top van de organisatie. Dat werkt door naar beneden. In de top van Fioretti zitten mensen die de schoolcultuur kennen en die daar ook als leraar gewerkt hebben. Er is duidelijkheid, iedereen weet waar hij aan toe is, de school heeft een mooi gebouw en goede faciliteiten en dat geeft heel veel rust. Daardoor gaat het structureel goed op het Fioretti en de resultaten die ze boeken met examenleerlingen zijn ook hartstikke goed.”
Toch kunnen scholen en betaald voetbalorganisaties (BVO’s) ook van elkaar leren. Volgens Peereboom moeten leerlingen, net zoals jeugdspelers van BVO’s, voor zichzelf doelen stellen en succescriteria en verwachtingen opstellen. „Die doelen en criteria kunnen weliswaar heel erg van elkaar verschillen, maar geven wel duidelijkheid en richting. En dus bieden ze ook rust en structuur.”
Daarnaast ziet hij dat scholen altijd richting het einde van het schooljaar pas op studiereis gaan of projectweken organiseren. „Doe dat nou aan het begin van het jaar, net zoals trainingskampen in het voetbal. Waarom? Je moet verbinden. Het is belangrijk om de verbinding met elkaar te zoeken buiten het schoolgebied. Ik denk dat het onderwijs daar nog wel stappen in kan maken.”
Andersom kunnen BVO’s leren van de structuur en de organisatie van scholen. Bovendien moeten voetbalclubs op zoek naar kruisbestuiving als een voetbaltrainer minder pedagogisch geschoold blijkt te zijn. Naast iemand die een carrière als profvoetballer heeft gehad, past in dat geval een sterke pedagoog. „Ik ben heel blij met een oud-speler in mijn staf en ik hoop dat een oud-speler juist ook weer blij is met iemand als ik in de staf.”
Peereboom staat ook volgend seizoen voor de groep bij Jong AZ, dat uitkomt in de Keuken Kampioen Divisie. En of hij ooit nog in de zaal of op het veld als gymdocent terugkeert? Die kans lijkt klein. „Ik heb niet het idee dat ik daar ooit terug zal keren. Ik denk dat ik mijn heil wel zal blijven zoeken in het voetbal.”